Megens Zegen

Megens Zegen is een initiatief van Gemeenschapshuis Acropolis. Met de aankoop ondersteunt u het gemeenschapshuis en verenigingsleven in Megen. Hartelijk dank daarvoor!

De vorm van deze heerlijke bonbons verwijst naar de kegelvormige plattegrond van het oude ‘Meghen’ en tevens naar de hoofdtooien van jonkvrouw ‘Zegen van Megen’ en naar de capuchons van de Fransiscanen.Megens Zegen 013

IN DE BAN VAN MEGENS’ZEGEN

Kees van de Wiel

Wat is het geheim achter Megens’Zegen? Waar komt onze gravin Benedicere vandaan?
(Het Latijnse woord “Benedicere” betekent “gezegende”).Zij is mogelijk een kleindochter van Jacob de Brimeu, die een kasteelhoeve bezat in Lille in de provincie Antwerpen.

De voorhistorie ligt zelfs in Oss.
Oss heeft reeds jarenlang behoefte om haar imago op te poetsen en kwam ergens in het midden van de jaren negentig met de presentatie van de “Osse Trotse”, een overheerlijke bonbon in een fraaie verpakking.
Megen was nog niet bekomen van de gemeentelijke herindeling of ook daar werd de behoefte gevoeld zich met een bonbon te profileren. Het stichtingsbestuur van gemeenschapshuis Acropolis ontwikkelde het idee van Megens’ Zegen, benaderde een banketbakker in Oss en vanaf 1998 was in Megen de kegelvormige bonbon in edele verpakking te koop. De grafelijke kroon bezegelde het doosje. De historische onderbouwing ontbrak nog.
Toen ik daar eens met enkele leden van het bestuur wat vrijblijvend over stond te filosoferen, resulteerde dat in de uitdaging aan mij, om van die historische onderbouwing maar eens werk te gaan maken. Een tijdlang heb ik lopen broeden over een passend verhaal bij deze kegelvormige bonbon tot me enkele “typisch Megense merkwaardigheden” opvielen
image2De lekkernij heeft de vorm van een schuine kegel en vertoonde daarmee grote gelijkenis met de hoofdtooi van bijvoorbeeld hofdames in de tijd van de edelen. Megens’ Zegen zou dus een edele dame geweest kunnen zijn. Dan denk je aan een Megense gravin en gezien de eeuwenlange geschiedenis van ons graafschap met de diverse geslachten, mankeert het niet aan mogelijkheden één van de gravinnen in het verhaal op te nemen.
Verder nam ik nog eens de militaire tekening van Jacob van Deventer onder ogen. Ook daar valt de kegelvorm van het hart van het stadje op.
Een derde typisch in Megen voorkomend gegeven zijn de capuchons van de franciscanen. Ook deze hebben een vorm van een kegel.
Het hoofddeksel van de hofdame, de tekening van Jacob en de kegelvormige capuchon van de paters in ons klooster inspireerden mij tot het hierna volgende verhaal.

IN DE BAN VAN Megens’ Zegen
Tekst: Kees van de Wiel
Illustraties: Thea van de Wiel – van der Aa.

Vermoeid van de lange reis van de Brabantse Hoofdstad Brussel naar zijn woonplaats Mechelen zat Jacob van Deventer voorover gebogen achter zijn tekentafel.

image4image3In het gezelschap van Karel de Brimeu had hij een betoverende edele jongedame gezien in prachtige kledij. Ze had hem verleidelijk aangestaard en al zijn bewegingen gevolgd terwijl hij op Karels aanwijzingen het vestingstadje Megen in een ruwe schets op papier zette. Wat voelde hij zich toen warm aangedaan en verlegen. Hij had zich nauwelijks op zijn werk kunnen concentreren. Terwijl zij enkele passen in zijn richting maakte, had ze hem kort maar indringend in zijn ogen gekeken en zacht gefluisterd: “Ik zie je in Megen. Ik heet daar Zegen.” Met kwieke pas was ze verlokkelijk glimlachend verdwenen in een zijkamertje van het luxe vertrek, dat Margaretha van Parma in haar koninklijk paleis van Brussel voor de graaf van Megen, haar belangrijke adviseur en veldheer, had laten inrichten.

Jacob had haar verschijning scherp in zijn geest geprent. Hij was als verdoofd door haar zwoel klinkende woorden, die alsmaar in zijn hoofd bleven rondspoken. “Ik zie je in Megen, Ik heet daar Zegen” had zij gezegd. Hij herhaalde die woorden eindeloos in zichzelf. Jacob was er zeker van haar terug te zullen zien.
De tekentafel lag bezaaid met schetsen van de vesting van Breda. In de reiskoets had hij pogingen gedaan zijn beeld van “Zegen” op papier vast te leggen. Hij was niet verder gekomen dan de vorm van haar prachtig gedecoreerde hoofddeksel met de kleurige linten aan de punt. Pogingen haar minzaam gelaat te schetsen, waren vastgelopen toen hij haar stralende ogen voor de geest trachtte te halen. Hij had, al wegdromend, met zijn hoofd tegen de achterwand van het rijtuigje geleund in de hoop het beeld van haar wat scherper te krijgen.
Door de eentonige tred van de paarden op de steenweg was hij ongewild in een onrustige hazenslaap gevallen waaruit hij telkens ontwaakte.

De tekening van de kegelvormige hoofdtooi met warrige lijnen daaronder legde hij bovenop.
Zijn jonge vrouw was bij zijn thuiskomst niet in huis. Hij wist dat zij zo haar contacten onderhield zoals ook hij zich die vrijheid permitteerde. De duisternis had bezit genomen van zijn werkvertrek. De klok van de Mechelense kerk had de komst van de brandwacht en de lantaarnopsteker aangekondigd. Jacob plaatste de kandelaar dicht op zijn werk.
image5Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven, toen hij de schetsen van het stadje Megen, op aangeven van Karel getekend, naast zijn tekening van de jonkvrouw zag liggen. Hij werd scherp van geest en voelde een ongekende spanning in zich opkomen.
Alle onafgemaakte plannen veegde Jacob resoluut terzijde en concentreerde zich helemaal op zijn werk aan de plattegrond van Megen. De onvoltooide tekening van de dame van zijn hartstocht hield hij binnen handbereik. De poorten van de stad vielen gelijk met de punten van hoofdtooi van Zegen en de lijnen van de omwalling volgden vrijwel geheel de warrige strepen, die hij in de koets had vastgelegd. De opkomende drang om naar Megen te gaan en de gelijkenis met eigen ogen te zien, wilde hij niet weerstaan.

Enkele dagen later kon hij mee reizen met een delegatie van de landvoogdes Margaretha bestaande uit rentmeesters, zendgraven en geestelijken. In een lange stoet van wagens en karren, omringd door Spaanse soldaten ter beveiliging tegen struikrovers vertrok men via Turnhout naar Den Bosch. Jacob had zich op een langdurig verblijf in de vestingsteden aan de zuidelijke oever van de Maas voorbereid. Zijn reiskoffer boven op het rijtuig was tot aan de rand volgestouwd. Tegenover hem gezeten deinden twee zwijgzame franciscanen mee op de bewegingen van het voertuig.
Zij waren meegezonden om vooral de priesterloze parochies te versterken tegen de invloeden van de ketters. Deze bedreigden niet alleen het katholieke geloof, maar brachten ook de Spaanse soevereiniteit over de Nederlanden aan het wankelen.
image6De koude drong door in de rijtuigen. Jacob had zijn dikste jas over zijn knieën gelegd en met halfomzwachtelde handen doodde hij de tijd met het maken van ruw opgezette tekeningen. Zijn medepassagiers waren zijn modellen. De paters zaten ineengedoken om zoveel als maar mogelijk was de warmte vast te houden. Hun kaalgeschoren kruinen beschermden ze tegen de kou door hun capuchon over hun hoofden te trekken.
Opnieuw drong zich een gelijkenis met de hoofdtooi van zijn hofdame èn de plattegrond van Megen aan Jacob op. Hij kon zijn verbaasde ogen niet afhouden van de minderbroeders. Na eerst overmand te zijn, raakte hij geheel in de ban van het tekenen. Met enkele vaste houtskoolstrepen legde hij zijn indrukken vast om vervolgens zijn gedachten de vrije loop te laten. Hij raakte verstrikt in beelden van geluk en verdoemenis, van hoogmoed en nederigheid.
De reis werd in Turnhout onderbroken. De delegatie bracht twee nachten door op het kasteel. Jacob dwaalde door de straten en de verveling drong zich snel aan hem op. De dames op de burcht gunden hem geen blik waardig, terwijl ze tegelijkertijd de ontmoeting in Brussel met zijn Zegen weer vers in zijn geheugen prentten.

De rij van koetsen en karren was langer geworden en trok de Meierij binnen in de richting van Den Bosch. De franciscanen waren in de stad achtergebleven. Een paar hooggeplaatste soldaten zaten tegenover hem. Dat bood Jacob de gelegenheid om over vestingsteden te spreken, die hij de laatste jaren in opdracht van de Spaanse koning Philips II had opgetekend. Dat hij op weg was naar de versterkte steden aan de Maas kon en wilde hij niet verzwijgen.
De officieren van de Spaanse infanterie kenden Megen heel goed. Zij verbleven al eerder op het kasteel van de Spaansgezinde graaf de Brimeu. Jacob was één en al oor, wanneer zij zijn vragen naar de dames van de grafelijke hofhouding beantwoordden. Er was er één bij, die geheel voldeed aan de beschrijving, die Jacob hen gaf. Ze straalde, naar hun zeggen, een innemende vriendelijkheid uit, waardoor iedereen haar graag van dienst wilde zijn. Hij deed er verder het zwijgen toe. Hij wilde geen krasse uitspraken van opscheppende officieren uitlokken, die hun mannelijkheid zo graag op de voorgrond plaatsen.

In Den Bosch, de hoofdstad van de Meierij waar opnieuw halt gehouden werd, verliet hij de delegatie. Opnieuw in gezelschap van een groep franciscanen, enkele officieren en soldaten reisde hij per paard naar het stadje Megen. In Oss verversten zij hun paarden en reden meteen door naar Megen. De paters zochten de pastoorswoning op, de soldaten legerden zich in de Maaspoort en Jacob vond met de officieren onderdak in de dienstwoning van het kasteel. De ondergaande zon kleurde het breed uitwaaierende water van de Maas in een romantische gloed.
image7Met kloppend hart reed Jacob de ophaalbrug over en richtte onmiddellijk zijn blik scherp op de spaarzaam verlichte vensters van de verblijven van de grafelijke familie. Tevergeefs. Geen glimp van een adellijke dame met een uitbundige hoofdtooi. Navraag bij de dienaars en dienaressen leverde wel de nauwgezette beschrijving op van de jonkvrouw die hij in Brussel ontmoet had. Er werd nog wat aan toegevoegd dat hem minder aanstond. Zijn hart kromp ineen en verruimde tegelijk. Zij stond bekend uitzonderlijk vaak verliefd te zijn op mensen van rang en stand, maar wonderlijk genoeg was zij ook zeer geliefd bij de bevolking van Megen. Hooghartigheid was haar vreemd en om haar gulheid werd ze alom door de Megenaren gewaardeerd.
Jacob verliet nog laat in de avond het kasteel en bracht een bezoek aan de plaatselijke herberg bij de Gevangentoren in de hoop daar meer over “Zegen” op te kunnen vangen. Tot zijn teleurstelling was hij er de enige gast en de waard was geen prater. In spaarzame bewoordingen vertelde hij dat de jonkvrouw van het kasteel wanneer ze in Megen verbleef, met regelmaat in zijn herberg kwam in gezelschap van soldaten van hoge rang om van zijn speciale gerechten te genieten. De kok op het kasteel kon immers niet op tegen zijn kookkunst.
Na enkele kannen straf Megens bier en evenzoveel afgewogen woorden gewijd aan de gulheid van Zegen voor de arme burgerij daar in het straatje naar de dijk, keerde Jacob met een wazige blik in zijn ogen terug naar zijn verblijf in het koetshuis. Door de heldere maan kon hij zien, dat het stadje een zeer ordelijke indruk maakte. De arme burgerij, zoals de waard zijn medepoorters noemde, had haar werk goed gedaan en daarvoor enkele duiten van Zegen ontvangen. De aanwonenden veegden trouw hun straten en schrobden hum stoepen op volgorde van boven naar beneden, zodat de jonge gravin op elk gewenst moment door haar Megen kon gaan zonder haar schoeisel en de zoom van haar kleed te besmeuren.
image8Jacob verzette zich niet tegen de opkomende gevoelens van trots verliefd te zijn op deze als eerzaam bekend staande dame. Zowel zijn geest als zijn lijf waren vervuld van opperste gelukzaligheid en tevredenheid. Met genoegen zou hij de slaap proberen te vatten omdat hij vol verwachting was over de dag die komen zou.

In de vroege ochtend werd hij wakker van hinnikende paarden. De jonkvrouw ging op reis naar het gouverneurspaleis van graaf Karel de Brimeu in Friesland. Stevig gearmd in gezelschap van een opgedofte heer verliet zij het kasteel en stapte met de grafelijke jonkheer in de koets.
Jacob bedacht zich geen moment en rende naar buiten. De koetsier hield zijn zweep in de hoogte en was benieuwd naar wat Jacob van plan was. Deze opende resoluut het portier van de koets en zette daarmee zijn natuurlijke bescheidenheid opzij. image9De jonkvrouw herkende hem onmiddellijk. Ze stapte statig en ogenschijnlijk rustig uit. Zegen nam Jacob in de arm en geleide hem naar de ophaalbrug. Nadat ze hem kalmerend had toegesproken, verklaarde ze hem haar liefde. Jacob moest Zegen op haar woord geloven. Hij was haar ware liefde en wat zij voor hem voelde, had zij nog nooit beleefd. Echter de zwaarwegende plichten die het gravengeslacht van de Brimeu haar opgelegd had, belette haar de ingevingen van haar hart te volgen.
Zij sprak opnieuw over de “Zegen” van Megen, die ze in alle trouw voor de Megense onderdanen en ook voor Jacob had willen zijn, maar een nog rijkere en meer heilzame zegen zou Megen nog wachten. Tranen stonden in haar ooghoeken bij het uitspreken van deze profetisch klinkende woorden. Ze wendde zich abrupt van hem af en keerde terug naar de koets. Bij het instappen keek ze nog één keer in de ogen van Jacob, die haar sprakeloos was gevolgd. De koets nam in denderende vaart de ophaalbrug en verdween in de richting van de Bossche poort. Jacob was tot in het diepst van zijn wezen geraakt en met stomheid geslagen.

Zijn militaire opdracht, de vesting Megen nauwgezet op te meten en in kaart te brengen, was naar de achtergrond verdwenen. Hij kreeg haar woorden niet meer in de goede volgorde gezet. Hij was er zeker van, dat haar hart gebroken was. Vooral die wonderlijke uitspraak, dat na haar een nog rijkere Zegen over Megen zou komen en dat hij daarvan de tekenen reeds had gezien, kon hij alsmaar geen plaats geven. Haar woorden gaven hem het onuitwisbare gevoel, dat zij voorgoed uit zijn leven en uit Megen verdwenen was.

Zijn droom was uit. Daar was hij zeker van. En zoals hij al vaker een punt had gezet achter een hersenschim, deed hij dat nu ook. Hij haalde zijn meetinstrumenten uit zijn reiskoffer. Resoluut ging hij in het stadje aan de slag. Op de plattegrond van Megen, die hij zo merkwaardig veel vond lijken op de hoofddeksel van Zegen, moest hij nog de juiste maten zetten. Hij wilde Megen zo spoedig mogelijk verlaten om zijn hersenen weer te kunnen opfrissen. De uitwerking zou hij bij terugkomst in Mechelen afhandelen.
De Megense mensen waren wel aardig voor hem ook al keken zij bij de uitvoering van zijn werk hem aanhoudend op zijn vingers. Enerzijds verbaasden zij zich over het feit, dat de grote, machtige koning van Spanje, Philips II, zich voor hun kleine vestingstad interesseerde.
Anderzijds waren zij er ook met trots vervuld omdat Megen kennelijk belangrijk was voor de verdediging van het Spaanse rijk. Gelijktijdig boezemde hen dat ook angst in. Ze zouden in de oorlog betrokken kunnen raken, wanneer de ketterse troepen de Maas over zouden trekken.
Jacob deed er het zwijgen toe. Hij was niet degene die klaarheid aan de Megenaren kon geven over de bedoelingen van de koning. Hij was tegen zijn wil in met zijn gedachten in heel andere zaken verwikkeld. Nog steeds speelde door zijn hoofd, dat hij de komende Zegen van Megen al ontmoet zou hebben.
image10En plotseling had hij de woorden begrepen. Staande aan de Maaspoort, de straten en het marktplein overziend, waar de stenen huisjes en de kapel stonden, zag hij franciscanen in druk overleg met de schout en de schepenen van Megen. Ongetwijfeld spraken zij over de katholiciteit van de Megenaren en hun vasthoudendheid in het verzet tegen de bedreiging van het ware geloof.

Wanneer Jacob honderden jaren later in Megen zou zijn teruggekeerd, had hij inderdaad kunnen vaststellen, dat de vestiging van de franciscanen in Megen alom zegening heeft gebracht. Daardoor stond het stadje definitief op de landkaart, waarop nog altijd zijn plattegrond zeer herkenbaar is terug te vinden. Tot ver in de twintigste eeuw werd bij het schrobben van de Torenstraat begonnen bij de Gevangentoren en kreeg het straatbeeld op volgorde van aanwoning een schoon en helder aanzien.
Megen, november 1999

Het boekje “In de ban van Megens’Zegen” is uitgegeven door de heemkundekring en nog altijd te koop bij een doosje van de Megense bonbon.
Dat de traditie van het vegen van de straten nog lang heeft bestaan, bewijst het volgende artikel in de voorloper van het Brabants Dagblad, de Sirene.
Op deze tekening is het Brimeuplein nog volledig bebouwd. De boerderij van de familie Kocken en café het Witte Kruis zijn dan nog niet afgebroken.

image11

De tekeningen in het verhaal zijn van Thea van de Wiel – Van der Aa

Het verhaal is terug te vinden in Zendgraaf nr. 18.

SSD Alle rechten voorbehouden - Ontwikkeld door Niek Beck Webdesign

Login - Sitemap - Contact